INPERKING VAN DE VRIJSTELLINGEN

Verandering 2: Inperking van de vrijstellingen

De PSD1 staat relatief veel uitzonderingssituaties toe op de vergunningsplicht voor betaalinstellingen. In de PSD2 zijn deze vrijstellingen in veel gevallen aangescherpt. De Europese Commissie was namelijk bezorgd dat de verschillen in interpretatie door de individuele EU lidstaten mogelijk concurrentieverstorend werkten. Ook zijn deze interpretatieverschillen tegengesteld aan de ambitie om tot één uniforme Europese betaalmarkt te komen.

Daarbij komt nog dat de aanbieders van financiële diensten vaak zelf meenden te kunnen beoordelen of zij gebruik konden maken van een vrijstelling op grond van PSD1. PSD2 dwingt onder andere af dat dienstverleners in meer gevallen verplicht zijn om hun activiteiten te melden aan de bevoegde autoriteiten. Dat betekent dat de PSD2 een groter regelgevend toezicht mogelijk maakt.

De volgende vergunningsvrijstellingen zijn ingeperkt:

1. Vrijstelling voor gelimiteerde netwerken

PSD 1 bevat een vergunningsvrijstelling voor het aanbieden van betalingsdiensten op basis van betaalinstrumenten die je alleen kan gebruiken om goederen of diensten binnen een beperkt netwerk van dienstverleners of voor een beperkte reeks goederen of diensten aan te schaffen (bijvoorbeeld bepaalde winkelkaarten, cadeaubonnen, tankkaarten en loyaliteitsprogramma’s).

De vrijstelling verduidelijkte echter niet wat “beperkt netwerk” nu precies definieerde. Dit heeft ertoe geleid dat de Europese Commissie bezorgd is dat partijen de vrijstelling ruimer toepassen dan initieel is beoogd, met als gevolg grotere risico’s voor de consument alsook een gebrek aan juridische bescherming.

De PSD 2 scherpt deze vrijstelling daarom aan; ze geldt alleen nog voor betaalinstrumenten die worden gebruikt voor:
de aankoop van goederen en diensten bij een specifieke winkelketen, of
de aankoop van een zeer beperkt aanbod van goederen en diensten, of
in één lidstaat waar het instrument wordt geregeld door een nationale of regionale overheid.

Als een dienstverlener zich wil beroepen op deze vrijstelling en in een bepaald jaar meer dan € 1.000.000,= omzet, is de dienstverlener bovendien verplicht om de nationale toezichthouder te informeren. Deze moet dan beoordelen of de vrijstelling gehandhaafd mag blijven.

2. ATM vrijstelling

Onder PSD1 zijn exploitanten van onafhankelijke geldautomaten volledig vrijgesteld van de vergunningsverplichting voor een betaalinstelling. De vrijstelling stimuleerde de groei van onafhankelijke ATM-aanbieders, vooral in minder bevolkte gebieden. PSD2 handhaaft deze vergunning maar voegt wel de verplichting toe aan deze aanbieders om voorafgaand aan de transactie duidelijk te maken aan de klant wat de hoogte is van eventuele bijkomende kosten voor het gebruik

3. Vrijstelling voor telecom-aanbieders

PSD 1 bevatte een vergunningsvrijstelling voor betalingstransacties via een telecom of IT-apparaat (zoals een mobiele telefoon), waarbij de netbeheerder niet alleen handelde als tussenpersoon voor de levering van digitale goederen en diensten, maar ook een ‘toegevoegde waarde’- dienst leverde aan haar klanten (zoals operator billing of directe telefoondiensten). Deze vrijstelling was dubbelzinnig opgesteld en is op vele verschillende manieren geïmplementeerd binnen de EU.

Gezien de groei van het volume van de betalingen dat door de consument via smartphones en andere IT-apparaten verloopt is deze vrijstelling in PSD 2 aanzienlijk aangescherpt.

Onder PSD 2 is deze vergunningsvrijstelling alleen nog van toepassing voor digitale content (bijvoorbeeld apps, wallpapers, ringtones), voice-gebaseerde diensten, charitatieve activiteiten of de aankoop van tickets. Voorwaarde daarbij is dat de waarde van elke afzonderlijke betalingstransactie niet hoger is dan €50,= en de cumulatieve waarde van het betalingsverkeer voor een enkele abonnee niet meer bedraagt dan €300,= per maand. Indien een telecom-aanbieder betalingsdiensten aanbiedt die buiten deze kaders vallen dan is betaalinstellingsvergunning benodigd.

4. Vrijstelling voor handelsagenten

In PSD 1 stond een vrijstelling opgenomen voor betaalinstellingen die optreden als door de betaler of begunstigde gemachtigde handelsagent om diensten of goederen te aan- of verkopen. Deze vrijstelling is op verschillende manieren toegepast in de EU lidstaten. Verschillende lidstaten stonden toe dat een handelsagent optrad voor zowel de betaler als de begunstigde. Dit was tegen het zere been van de Europese Commissie, omdat hiermee de Europese betaalrichtlijnen worden omzeild.

Onder PSD2 is daarom deze vrijstelling aangescherpt: in de toekomst is deze vrijstelling alleen toepasbaar wanneer een handelsagent handelt namens ofwel de betaler of de begunstigde. Indien een handelsagent optreedt als intermediair voor beide partijen geldt de vrijstelling enkel wanneer de agent op geen enkel moment in bezit is van of controle heeft over de gelden van koper en verkoper.